Van Brussel naar het erf: waarom VAB meepraat in Europese netwerken


Het Horizon Europe project in Brussel richt zich op gendergelijkheid in de agrarische sector. Het maakt deel uit van het AKIS. Dit is een afkorting die voor veel adviseurs nog nieuw of geheel onbekend is. Meteen komt dan de vraag op: ‘Wat heeft de agrarisch bedrijfsadviseur in Nederland hier concreet aan?’

Annemieke Tromp, bestuurslid van Vereniging Agrarische Bedrijfsadviseurs (VAB), snapt die vraag, want deelnemen aan dergelijke projecten moet wel een doel hebben, vindt ze. ‘Het moet niet voelen alsof iemand ‘even’ een dagje Brussel doet.’  Daarom wil ze zichtbaar maken hoe de VAB via Europese netwerken kennis, contacten en thema’s ophaalt die uiteindelijk moeten landen bij de adviseurs in een lidstaat en in de praktijk. Daarbij gaat Nederlandse kennis ook Europa in.

AKIS: het kennis- en innovatiesysteem

Tromp was aanwezig bij de laatste bijeenkomst van het Europese project Grass Ceiling. Dit project raakt aan een bredere beweging binnen Europa, namelijk het versterken van een Europees Agrarisch Kennis- en Innovatie Systeem (AKIS). In Nederland wordt dat vaak omschreven als het netwerk van stakeholders dat kennis, zowel onderzoek als ervaring uit de praktijk, beter met elkaar moet verbinden en vooral sneller moet laten doorstromen.

‘Het gaat om Leven Lang Leren, zoals Europa dat graag wil stimuleren,’ legt Tromp uit. ‘Hoe zorg je dat kennis van praktijk naar theorie gaat en andersom? Dat is in de praktijk best lastig om goed voor elkaar te krijgen.’

De VAB is een van de partijen die in dat AKIS een rol speelt, juist omdat adviseurs vaak de schakel zijn tussen het wetenschappelijk onderzoek, de innovatiemogelijkheden in de praktijk en de toepassing op het boerenbedrijf.

Waarom dit voor Nederland anders werkt dan voor veel andere landen

In Europese gesprekken merkt Tromp een belangrijk verschil. In veel andere landen hebben adviseurs meer ruimte om scholing en bijeenkomsten te volgen. In deze landen werken adviseurs bij de (semi)overheid en worden betaald uit publiek geld. Voor hen is het vaak gemakkelijker om opleidingen te volgen. Voor Nederlandse adviseurs ligt dat anders. ‘Hier moet je naar jezelf of je werkgever toe verantwoorden. Je bent tijd kwijt, je hebt daaruit geen inkomsten en maakt kosten.’ Daarom is het van belang dat bijeenkomsten, geaccrediteerde activiteiten en leertrajecten aantoonbaar waarde opleveren: actueel, toepasbaar en goed afgestemd op de realiteit van een zelfstandige bij voorkeur onafhankelijke adviespraktijk.

Grass Ceiling: wat zegt dit project over de sector?

Het Grass Ceiling-project (met een looptijd van meerdere jaren) richt zich op gendergelijkheid in de agrarische sector en in het landelijk gebied. Tromp: ‘Eerst is gekeken naar de rol van vrouwen in het agrarisch werk en op het platteland. Daarna naar normen en patronen. Ook gaat het over hoe vrouwen tot innovaties komen en hoe kun je vrouwen met innovaties beter begeleiden zodat het ook echt van de grond komt.’

Belangrijk is daarbij dat het project verder kijkt dan voedselproductie alleen. In veel regio’s in Europa is vergrijzing en leegloop van het platteland een gevaar voor de leefbaarheid ervan. Het landelijk gebied wordt minder aantrekkelijk, terwijl je juist daar gemeenschappelijke initiatieven nodig hebt. Er werd ook benoemd dat vrouwen vaak die broodnodige verbindende rol hebben in het bij elkaar houden van gemeenschappen.

Van inzicht naar actie: wat kan VAB ermee?

Voor Tromp is het doel tweeledig. Ten eerste: de VAB als kennismakelaar meer zichtbaar maken in relevante (internationale) netwerken. Zo kunnen VAB-adviseurs beter aanhaken op kennis en contacten die in Europa zijn ontstaan. ‘We moeten bekender worden, netwerk opbouwen en laten zien welke praktijkkennis wij vertegenwoordigen. Zorgen dat er uiteindelijk meer ruimte komt voor adviseurs om aan te sluiten, hun kennis delen, evenals er zelf van te leren en dit weer inzetten richting hun klanten.

Ten tweede: opgedane inspiratie vertalen naar concrete activiteiten voor leden. Tromp denkt bijvoorbeeld aan bijeenkomsten over samenwerking en rolverdeling op het boerenbedrijf. ‘Je hebt best veel man-vrouw-maatschappen. Als vrouwelijke adviseur merk je al snel dat het voor jou net iets gemakkelijker is om ook de vrouw op het bedrijf mee te nemen dan alleen in gesprek te gaan met de man. Overigens niet altijd, maar het gebeurt wel.’

Dat soort inzichten zijn relevant voor de kwaliteit van advisering en voor de bewustwording van nogal gewoon gevonden rollenpatronen. Je vraagt je bewuster af: ‘Wie wordt aangesproken? Wie beslist mee? En hoe zorg je dat het hele bedrijf aangehaakt is en blijft?’

Gezien worden is geen bijzaak

Tromp benadrukt dat invloed in dit soort netwerken tijd kost. ‘Je moet er eerst goed in komen. Mensen moeten aan je denken.’ De VAB werkt daar niet alleen aan. Binnen het bestuur en verenigingsbureau zijn meer mensen actief op dit dossier. Tromp nam dit onderwerp over van een ander bestuurslid en wil de lijn doorzetten.

Tegelijk worstelt ze met een herkenbaar punt: hoe maak je de opbrengst tastbaar? ‘Ik vind het moeilijk om scherp te krijgen wat leden eraan hebben. Het begint bij inspiratie opdoen, ons netwerk bekend maken en van daaruit het organiseren van bijeenkomsten die van invloed zijn op de gehele agrarische sector. Bovendien is Nederland lang uit beeld geweest in Europa, terwijl juist hier zoveel kennis en ervaring aanwezig is.’

Niet in de la laten verdwijnen

Een zorg die Tromp onderkent, is dat projecten na afloop kunnen stilvallen. ‘Hoe zorg je dat ze dan niet in de la belanden maar doorgaan? Herhaling helpt; als uit meerdere projecten dezelfde conclusies getrokken worden, dan is er echt iets aan de hand en blijft het beter hangen. Zo ontstaat sneller beweging om er vervolg aan te geven. Daarnaast zijn juist adviseurs de kracht om kennis in de praktijk te doen landen. Zowel naar agrarische ondernemers als vanuit die achterban naar andere AKIS-stakeholders en in Europa.

Voor de VAB betekent dit: thema’s uit Europese netwerken vertalen naar toepasbare kennis, praktisch inzetbare oplossingen en daar waar relevant, naar leeractiviteiten die adviseurs helpen om zich te ontwikkelen in hun vakgebied. ‘ Uiteindelijk doen we dit voor onze adviseurs,’ zegt Tromp. ‘ Het moet niet abstract blijven, maar het moet terugkomen in wat zij nodig hebben in hun werk.’